Waar is Maris

Van Duinkerke tot en met Guernsey (deel 1)

In de afgelopen zes weken is ruim 270 zeemijl onder de kiel van Maris weggegleden. Het schrijven van de blog hebben we in die zes weken wat laten versloffen, dus hoog tijd om een update te schrijven.

Op vrijdag 27 augustus verlieten we de haven van Duinkerke, samen met de gezellige Belgische eigenaren van zeilboot Zambezi, die eerdaags bij ons langszij waren komen liggen vanwege gebrek aan ruimte. Wij wilden naar Boulogne-sur-mer. Zij, met hun jarenlange zeilervaring, zouden wel zien. Het was voor ons fijn in elk geval een stukje met hen op te varen binnen marifoon-afstand. We moesten namelijk de door ons enigszins gevreesde Cap Gris Nez ronden, daar waar het smalste stuk van het nauw van Calais is; en daar waar het flink kan stromen. (Haha, schampere lach, die stroming was niets vergeleken met waar we later in terecht zouden komen). We kwamen dankzij de bijgezette motor op tijd aan bij de kaap en rondden hem tot onze opluchting soepeltjes met de stroom mee. De Belgen namen afscheid van ons via de marifoon, en waar zij in dezelfde richting door gingen zetten wij meer koers naar het
zuiden richting onze bestemming Boulogne-sur-mer. In de boekjes waren de meningen onverdeeld negatief over deze plaats. Het zou er stinken en het zou zeilers niets te bieden hebben. Ik wist niet dat
zeilers blijkbaar een homogene groep waren met exact dezelfde interesses, wij vonden het in ieder geval helemaal prima daar. We hadden een leuk plekje midden in het centrum en wij houden juist wel van een beetje
reuring. Tegenover ons lagen de vissers scheldend en paffend te klooien met hun visgerij en daar weer achter trok een demonstratie tegen de pass sanitaire voorbij. Bij de watersportwinkel konden ze ons wel helpen aan recente kaarten van dit gebied maar helaas niet aan een passende dieptemeter, als extra service werden nog wel even
onze fenders opgeblazen, wat een aardige en behulpzame mensen, supertent! In het centrum speelde ’s avonds een bandje, waar de lokale dronkaard helemaal op los ging; en terecht want ze konden goed spelen. We liepen ook nog wat verder richting het oude stadsdeel, prachtig mooi was het daar. Ik snap niks van de negativiteit rond Boulogne-sur-mer: het stinkt er niet en je hebt er zeker wel wat te zoeken.
In Boulogne-sur-mer kregen we ook nog bezoek van de douane. Ineens stonden er vier mannen in uniform, bewapend en al, bij ons op de steiger. Ze wilden alle vier aan boord komen. We moesten onze papieren laten zien van de boot, ze vroegen of we verboden middelen aan boord hadden en ze trokken kastjes en laatjes open op zoek naar dingen-die-je-niet-mag-hebben. Ook al wist ik dat ik niets te verbergen had, toch voelde het wel wat intimiderend en was ik ineens bang dat ik toch iets illegaals mee had of de papieren niet klopten. Gelukkig waren de meeste douaniers wel vriendelijk en was alles in orde. We mochten zelfs een foto maken van de emblemen op hun uniformen voor op onze website.

De volgende etappe richting Dieppe stond twee dagen later, 29 augustus, alweer op het programma. Die was op de vele boeitjes met krabbenkooien na niet zo spannend. Gewoon prima te doen. Het werd wel spannend toen we de haven invoeren. We waren in de toch al smalle haveninloop aan het uitkijken naar een ligplaats, toen er ineens een enorm dikke vissersboot opdoemde vanuit tegengestelde richting. Hij deed geen moeite om iets uit te wijken en nam de bocht lekker ruim zodat wij nog minder ruimte hadden. Sander manouvreerde behendig schuin naar achteren totdat de vissersboot gepasseerd was. De haven van Dieppe leek nogal vol, dus ik besloot de havenmeester op te roepen via de marifoon. Op de een of andere manier was ik er niet helemaal bij en riep de haven van Boulogne-sur-mer op. Geen antwoord. Ik raakte geïrriteerd en realiseerde me toen pas dat ik de verkeerde plaatsnaam zei. Dus opnieuw, deze keer riep ik de juiste haven op, Dieppe dus. Weer niets, maar na een tijdje hoorde ik: “J’écoute.” Nog steeds wat geïrriteerd gaf ik aan dat we graag een ligplaats wilden en gaf staccato de afmetingen van Maris door. We keken richting de plek die we toegewezen hadden gekregen. Moesten we daar in?! Dat betekende dat we een zeer krappe doorgang hadden waarbij we een groot luxe jacht moesten passeren aan de ene kant, en aan de andere kant allemaal kleine vissersbootjes die hun buitenboordmotor hadden opgetrokken waarbij hun schroef dreigend schuin omhoog stond. We konden niet kiezen wat erger zou zijn om te raken. Gelukkig kwamen we er zonder kleerscheuren doorheen. Bij de ligplaats leek het makkelijk aanleggen, maar op de één of andere manier lukte het maar steeds niet. De boot werd klaarblijkelijk door de ebstroom steeds van de kant afgeduwd. Gelukkig stond er vier man klaar op de wal om lijnen van ons aan te pakken. Verderop de steiger lag ook een Noordkaper, met Nederlandse bemanning, die toevallig Via Maris heette. Natuurlijk raakten we aan de praat met elkaar en werden we uitgenodigd voor een drankje bij hen aan boord. Hoewel Dieppe een leuke stad is, lagen we niet echt comfortabel in de haven. De swell vanuit zee kwam recht de haven in, wat zorgde voor enorm geschommel van alle boten in de haven. Je kon eigenlijk bijna niet eens normaal door de boot lopen zonder bijna je evenwicht te verliezen. Ook ’s nachts sliepen we slecht door de enorme deining. We werden letterlijk heen en weer geschud in bed. Het vrat energie. Overdag was het leuk om in het stadje rond te kijken en ook even omhoog te lopen naar een mooi uitkijkpunt, maar eenmaal op de boot werden we gek en zagen we al op tegen de nacht. We hadden het idee dat de deining het ergste was als het tij opkomend was en dat is een keer overdag en een keer ’s nachts, dus we ontkwamen er gewoon niet aan. Omdat we zo moe waren, zagen we het ook niet zitten om snel weer een volgende etappe af te leggen. Het was een vicieuze cirkel, want door te blijven werden we alleen nog maar gaarder. We besloten dat we maar wat klusjes zouden doen. De ankerbak was lekker roestig dus daar wilden we wat spul op smeren om het roesten tegen te gaan. We wilden eigenlijk iets hebben waar je ook weer met 2-componenten overheen kon, dus we moesten op zoek naar een watersportwinkel. Die was een 50 minuten lopen verderop, maar ja we hadden tijd zat en het was mooi weer, dus waarom niet. Helaas hadden ze wat we wilden hebben niet daar, we kochten wat kleine altijd-handig dingetjes en liepen maar weer terug. We hadden nog wel Owatrol liggen, de variant waar geen 2-componenten overheen kon, maar we dachten beter iets dan niets. Dus ik ging daarmee aan de slag. Onze ankerbak is bereikbaar vanaf de slaapkamer, door een deurtje boven het bed. Ik moest acrobatische toeren uithalen om de bodem van de ankerbak te kunnen bereiken en de anti-roest taak kon alleen ondersteboven hangend worden uitgevoerd. Omdat ik klein ben, was ik de gelukkige die de taak mocht uitvoeren. Ik was blij toen ik het af had, want het bloed was inmiddels wel naar mijn hoofd gestegen en de Owatrol dampen leken me ook niet al te helpend. Intussen had Sander de kieldeksel nog eens in de olie gezet en liep hij nu rond in de haven, op zoek naar een booteigenaar die even op de AIS kon kijken of Maris nog wel een AIS signaal uitzond. Op de website kun je zien waar Maris is, maar we kregen berichtjes van mensen dat we al urenlang op dezelfde plek op zee rondhingen. Sander vond de Nederlandse eigenaren van Seas the Day en zij testten of ze Maris op de AIS zagen. Dit was gelukkig het geval. Waarschijnlijk is er rond Dieppe geen mogelijkheid om het signaal naar internet te sturen, wat maakte dat de huidige positie van Maris niet zichtbaar was op internet. Uiteraard werden we ook door de Seas de Day’s uitgenodigd voor een drankje en een borrelhapje en zo geschiedde.
Omdat we zo gek werden van het geschommel heel de tijd, bedachten we dat we het beste in het midden van de boot konden gaan slapen, waar de bewegingen het minst erg zijn. We hebben daar een slaapkamertje waar we wel vaker gaan slapen als de lijnen enorm kraken en er veel geschommel is. Die kamer is het stilst en het rustigst qua bewegingen, maar het bed wel iets minder dan twijfelaar-formaat. Deze keer was die kamer geen optie helaas, want aan die kant was ook de steiger en vanwege het enorme geschommel hoorde je constant de stootwillen tussen de steiger en Maris heen en weer schuren. Uiteindelijk werd de navigatiehoek de uitverkoren slaapplek. We sleepten er een matrasje naartoe, trokken onze benen wat op (want weinig plek), maar sliepen daar wel beter.

Na een week van gehobbel en gekraak, maar ook van nuttige klusjes en genieten van de leuke stad die Dieppe is, vonden we het op zondag 5 september toch tijd om door te gaan. Gaar of niet gaar, het moest er een keer van komen. Het plan was om naar Le Havre te varen, zo’n 55 zeemijl verderop. Er stond geen zuchtje wind dus de motor stond heel de tijd aan. Sander was supergaar dus ging binnen proberen te slapen terwijl ik ‘wacht’ hield. Er was niet zoveel bijzonders, uiteraard moest ik altijd letten op visvlaggetjes die altijd onverwacht kunnen opdoemen. Het was superheet, het water was blauw, de zee plat en het voelde net of we al in de Cariben waren. (Ik dacht zelfs heel in de verte een zwarte vin te zien… Een doflijn???). Na een tijdje kwam Sander weer tevoorschijn in de kuip. Slapen was niet echt gelukt, maar in elk geval had hij wat kunnen chillen. En toen kwam er ineens wat wind! Hier waren we heel blij mee, eindelijk konden we wat zeil op gaan zetten. Sander liep naar de mast zodat hij de lijn kon aanhalen als ik op het knopje drukte om het grootzeil uit te laten rollen. Zodra ik dat deed, kwam er ineens een gek geluid uit de mast en riep Sander dat er allemaal kleine balletjes naar beneden vielen. No way! We besloten het grootzeil meteen maar weer in te rollen, gelukkig was ie nog niet zo ver uit, en gelukkig ging het inrollen goed. Het leek ons geen goed idee meer om door te gaan naar Le Havre, Fécamp was onze uitwijk, nog maar vijf mijl bij ons vandaan. Zodra we richting de havenhoofden koersten, stond er een sterke dwarsstroming, waardoor we recht op de rotsen moesten afsturen, maar op de plotter zagen we dat we recht op de haveningang afgingen. Een vreemde gewaarwording en je moet dus maar vertrouwen op wat je op je scherm ziet en niet op je eigen waarneming. Eenmaal voorbij de havenhoofden was het weer rustig en tuften we richting de haven. Daar aangekomen zag het er vol uit en ik riep de havenmeester op om te vragen naar een ligplaats. Zij gaf aan dat we op de kop van een steiger konden liggen. Ik keek om me heen en zag dat alle kopsteigers vol lagen. De havenmeester bleef zeggen dat we op de kop van een steiger konden gaan liggen. Ok laat maar, we kijken zelf wel even. Hoewel er bijna de hele etappe geen wind was geweest, begon die nu ineens flink aan te trekken. We hadden de kiel wat omhoog gehaald omdat we niet zeker wisten wat de diepte in de haven zou zijn. Dit maakte Maris lastig manouvreerbaar. Wat verloren voeren we rond op zoek naar een mogelijke ligplek. Toen gebaarde iemand vanaf een aangelegde Franse rondvaartboot dat we bij hen langszij mochten aanleggen. Opgelucht en dankbaar voeren we hun kant op. Althans, dat probeerden we. We moetsen namelijk keren en Maris kwam moeilijk met haar neus door de wind heen. Na een paar pogingen lukte het toch en stonden ze op de rondvaartboot al klaar om lijnen van ons aan te pakken. Ik had de eerste lijn nog niet aangegeven of de schipper nodigde ons al uit aan boord. We kregen meteen champagne gevoerd, ik vermoed dat ze onze bleke en bedrukte gezichtjes wel hadden opgemerkt. Ook kregen we pizza, verse garnalen en een broodje met tong of zoiets. Ze bleven ons maar voeren met champagne en eten, want “les petits ont faim”, vonden ze. Wij tastten gretig toe. Zij zouden later die avond weer terugvaren naar Saint Valérie-en-Caux, niet ver van Fécamp, en waren aan het wachten op het juiste tij. Dan konden wij die steiger waar zij nu aan lagen gebruiken. Wij hadden van hen begrepen dat ze pas rond 21.30 uur weg zouden gaan, en dan konden wij nog even naar het probleem met de balletjes die uit de mast waren gevallen kijken. Sander had net zijn gereedschap erbij gehaald en stond al bij de mast, toen de schipper van de rondvaartboot ineens riep dat ze gingen vertrekken. Oh, nu al? Het was 19.30 uur ofzo. Snel het gereedschap weer naar binnen en de motor starten. We gooiden los en het rondvaarschip ging er van door. Nu moesten we aanleggen aan de steiger, maar met champagne door de aderen was dat wel iets uitdagender en deden we het wat onhandig. Maar we lagen in elk geval weer vast. Het project in Fécamp werd dus om het probleem met de balletjes/kogeltjes op te lossen. Het probleem was dat de kogeltjes uit het lager waren gevallen van het uitrol/reefstysteem van het grootzeil. Dat lager zat in een ding, swivel genaamd, dat het zeil bovenin de mast op zijn plek houdt en voorkomt dat ie naar beneden valt. Dus we moesten aan nieuwe kogeltjes zien te komen en natuurlijk bekijken wat de oorzaak was dat de kogeltjes eruit waren gevallen. Sander kwam erachter waar het reefsysteem was gemaakt, dit bleek een bedrijf in Breskens te zijn. Hij werd zeer behulpzaam te woord gestaan en kreeg allerlei tekeningen opgestuurd van de losse onderdelen van het reefsysteem, zodat we goed konden zien hoe het in elkaar zat. Hij zei wel dat het een rotklus was om die balletjes weer in het lager te krijgen, maar het kón wel. Na wat belrondes bleek er een leverancier te zijn die de kogeltjes kon leveren aan een watersportwinkel in Fécamp, die letterlijk aan de overkant van de haven zat. Het zou er de volgende dag al kunnen zijn. Wat een enorme meevaller was dat. In de tussentijd konden we al wat voorwerk doen. Het grootzeil moest eraf. Zodra we het zeil hadden uitgerold, viel hij meteen naar beneden. Dat was ergens te verwachten natuurlijk. We waren blij dat we het zeil niet helemaal hadden uitgerold op zee. Het zeil werd opgevouwen en de volgende klus was om de swivel van boven in de mast zat naar beneden te krijgen. Dat betekende dat ik de mast ingehesen werd. Eenmaal boven kon ik een touw bevestigen aan de swivel en deze naar beneden krijgen. De kogeltjes werden op de afgesproken dag geleverd en toen konden we aan de slag met die proberen in het lager te krijgen. Het was een monnikenwerkje en ging gepaard met wat gevloek en frustratie, maar uiteindelijk lukte het. Het lager was her en der wat gebraamd, waarschijnlijk waren de kogeltjes daardoor kapot gegaan en eruit gevallen. De bramen vijlde Sander glad, het grootzeil werd er weer opgezet en de klus was geklaard. Door dit project waren we een goede week gebleven in Fécamp.

Op maandag 13 september gooiden we los om naar Le Havre te varen. Het was een korte tocht van 4,5 uur. We verwachtten niet zoveel van Le Havre, vooral industrie eigenlijk. Maar toen we er rondliepen en de architectuur zagen en de sfeer proefden, werden we blij verrast. Het deed ons een beetje denken aan Rotterdam. Geen typisch Franse stad, maar wat moderner en veel studenten.

Hoewel het er leuk was, wilden we ook snel weer door, richting Cherbourg. We wilden niet in het donker aankomen daar, dus we berekenden dat we rond 06.30 uur moesten vertrekken. Dat betekende wel dat het donker zou zijn bij vertrek, maar dan hadden we dat ook maar eens meegemaakt. Bij de oostkaap van het schiereiland waar Cherbourg op lag, ‘pointe de Barfleur’, zouden we dan wel stroming tegen krijgen, maar theoretisch zou het dan alsnog haalbaar moeten zijn om rond 20.00 uur aan te komen. Er mocht dat niets tegen zitten, en bij het verlaten van Le Havre met de stroom mee zouden we meteen al flink gas op de lolly moeten zetten om het te halen. We spraken af om de motor constant bij te zetten. Vlakbij ons lag een Duits stel van zeilboot Pa De Dö, zij wilden ook rond hetzelfde tijdstip als wij vertrekken naar Cherbourg. Zij wilden al bijna losgooien, toen we zagen dat de havenuitgang drie keer rood licht gaf. Dat betekent dat je niet uit mag varen. Op de AIS zagen we het ene na het andere vrachtschip richting Le Havre komen. Ik waarschuwde hen en ze riepen via de marifoon de port control op. Die gaf aan dat ze wel weg mochten gaan, maar uiterst stuurboord moesten blijven en goed moesten blijven uitkijken. Wij hadden natuurlijk gewoon achter hen aan kunnen gaan, maar braaf als we zijn riepen ook wij de port control op. Wij kregen een ander bericht, namelijk dat we stand-by moesten blijven en dat de dame aan de andere kant van de lijn over een paar minuten bij ons terug zou komen. Nu werden we wel een beetje zenuwachtig. Pa De Dö was al richting havenuitgang en wij moesten wachten, terwijl het al tegen 07.00 uur begon te lopen. Ik riep ze nog een keer op, maar we moesten blijven wachten. Mijn geduld raakte op en ik riep ze nogmaals op, en toen gaf de dame enigszins geïrriteerd aan dat we konden vertrekken. Dit hele grapje gaf ons uiteindelijk een half uur tijdsverlies. Het was stikdonker en het navigatiescherm werkte enorm verblindend. Snel minder helder zetten, dat hielp. Na een tijdje wenden onze ogen het het donker en konden we contouren onderscheiden. De rode scheidingstonnen gaven knipperende lichtjes, dus die konden we goed volgen. Pa De Dö was er als een malle vandoor gestoven, een kleiner zeilschip, drie keer lichter in gewicht met evenveel zeil als Maris. Wij gingen ook niet slecht, zo’n 8 knopen, maar wij speelden vals met de motor erbij aan. Ik had bedacht dat het met donker wegvaren in elk geval mooi zou zijn om de zonsopgang te zien. Maar die heb ik echt totaal gemist, we zijn gewoon nog zo alert met varen. Komt vast nog wel. Het was grauw weer met regen. Pff, als dit de hele dag zo werd… Later op de ochtend zagen we blauwe stukjes lucht en brak de zon gelukkig ook af en toe door. In de verte zagen we een visboot op ons afkomen, die best snel dichterbij kwam. Deze visboot heette grappig genoeg ‘Marjolaine’. Ik riep Marjolaine op maar kreeg geen gehoor. Nog eens. Weer niets. We moesten nu wel echt iets gaan doen als we geen aanvaring wilden. Een vrachtschip dat vlakbij ons voer nam contact op met ons en gaf aan dat hij ook zou proberen contact op te krijgen met Marjolaine. Deze kreeg wel contact en hij zei in het Frans dat de schipper van de visboot uit zijn doppen moest kijken. Inmiddels hadden wij onze koers toch maar een paar graden gewijzigd. We gingen voorspoedig, en rond het middaguur naderden we ‘Pointe de Barfleur’. We begonnen wat aan snelheid te verliezen: de stroming mee was al in kracht aan het afnemen. Ook begon de wind af te nemen, waardoor de snelheid eruit ging. Naarmate de tijd vorderde gingen we langzamer en langzamer, dat hadden we natuurlijk ingecalculeerd. De stroming begon echter eerder en sterker tegen te staan dan berekend, op momenten gingen we slechts 1,8 knoop. We moesten nog maar 14 mijl, maar met dat tempo zouden we daar natuurlijk een eeuwigheid over doen. We wisten ook dat tegen het begin van de avond de stroom weer met ons mee zou draaien. Toch werden we er een beetje zenuwachtig van. Als we het niet zouden halen zouden we doorvaren, zo hadden we afgesproken, de nacht in. Uitwijken naar havens voor Cherbourg was niet echt een optie, omdat dat allemaal getijdenhavens zijn. Pa De Dö hadden we steeds in het vizier, zowel op de AIS als via het zicht. Zij hadden ook veel snelheid verloren. Op een gegeven moment veranderden ze van koers en gingen ze recht op Barfleur af, zo leek het. Konden wij dat misschien ook maar beter doen? Ik zag dat het qua getij wel kon, het was nu hoogwater daar dus we zouden de (met laagwater droogvallende) haven kunnen inlopen. Toch voelde dat ook niet echt aanlokkelijk. Na een tijdje leek Pa De Dö toch weer te koersen richting Cherbourg. Wij bleven maar berekenen en berekenen om te zien of we het op tijd zouden halen naar Cherbourg. Pa De Dö ging 4,4 knoop, terwijl wij een stuk langzamer gingen. Pfff, frustrerend… De vuurtoren op het land bleef maar op hetzelfde punt staan voor ons gevoel, we kwamen er maar niet voorbij. Na uren van onzekerheid en ook wel van chagrijn, waren we dan eindelijk om de kaap heen. Nu was de stroming een stuk minder sterk en we gingen steeds iets sneller. We waren al blij dat we niet meer onder de 3 knopen voeren. Nu wisten we dat het wel zouden gaan halen. We konden weer iets meer ontspannen, maar dat was van korte duur, want nu we dichter bij de kust waren, doken de visvlaggetjes en boeitjes weer overal op. We voeren er bijna over één heen. Ik ging op de dinghy liggen op het dek, zodat ik de vlaggetjes en boeitjes beter aan kon zien komen. Dit was lastig, want de zon stond laag en was verblindend. Met een zonnebril op kon ik sommige boeitjes beter zien, andere juist weer niet. Ook bij de haveningang van Cherbourg was vrolijk rondgestrooid met visvlaggetjes en -boeitjes. Onbegrijpelijk. Eenmaal in de Grande Rade, de grote kom voor de haven, kwam er een rust over ons heen, want we hadden het gehaald! Om 19.45 uur legden we Maris opgelucht aan in Cherbourg.

Noot achteraf: De schippers van Pa De Dö, Gerhard en Dorien, hielden ook ons steeds in de gaten en vonden het op hun beurt frustrerend dat wij een tijdje harder gingen dan zij. Gerhard, regata zeiler van oorsprong, wist niet dat wij de motor hadden bijgezet en wisselde de genua in voor een grotere genua om alsnog meer snelheid te halen. Dat verklaarde de koers richting Barfleur, dat was gewoon de stroom die hen wegzette tijdens de zeilwissel.

5 thoughts on “Van Duinkerke tot en met Guernsey (deel 1)

  1. Superleuk om te lezen!!! Spannend ook maar fijn dat het elke keer weer goed kwam

    1. Wat maken jullie toch veel mee! Leuk om te lezen dat je afhankelijk bent van de natuur, die is toch steeds maar de baas en je moet je keer op keer aanpassen.
      Het is een spannend verhaal en ik ben nu al benieuwd naar deel 2!

  2. Geweldig verslag van jullie twee. Zo zijn we weer helemaal bij.
    Goede reis, Arnd en Michaela

Comments are closed.